De examenvragen zijn geheim.
Er is geen enkele opleider (ook geen CD-rom van de ANWB of van wie dan ook) die deze vragen wel kent.

De vragen van dit proefexamen zijn samengesteld uit gegevens, die wij hebben ontvangen van onze cursisten die examen hebben gedaan.
De vragen komen overeen met de toetsmatrijs en de manier van vraagstelling van de VAMEX.

Het examen dat u hier ziet is voor het laatst bijgewerkt op 1 augustus 2014.
De volgende wijziging is te verwachten op 1 maart 2015.

EXAMEN VOOR KLEIN VAARBEWIJS DEEL 1
Het examen bestaat uit 40 meerkeuze vragen. Achter elke vraag staat tussen haakjes het aantal punten dat bij juist beantwoorden ervan, wordt verkregen. Het maximale aantal te behalen punten is 80. Het minimale aantal punten om te slagen is 56. De beschikbare tijd bedraagt 1 uur.

A. DE WETTELIJKE BEPALINGEN VOOR ZOVER DEZE VAN BELANG ZIJN VOOR DE VEILIGHEID VAN DE VAART OP RIVIEREN, KANALEN EN MEREN

Wetboek van Koophandel (WvK).

1. Wat moet een voorbijvarende schipper doen als het een in noodverkerend schip ziet? (1)

a alleen hulp verlenen als hij daarom door de bevoegde autoriteit wordt gevraagd
b alleen hulp verlenen als daardoor zijn eigen schip en/of opvarenden niet in ernstig gevaar komen
c te allen tijde hulp verlenen
d tegen de schipper van het noodleidende schip zeggen dat hij niet zo stom had moeten doen

 

 

Binnenvaart Politie Reglement (BPR)

2. U vaart van Zutphen via de IJssel en de Neder-Rijn naar Arnhem. Met welk scheepvaartreglement of met welke scheepvaartreglementen heeft u onderweg te maken? (1)

a eerst het BPR en vervolgens RPR
b eerst het SRIJ en vervolgens RPR
c uitsluitend RPR
d uitsluitend BPR
 
3. Wat is een schip volgens het BPR? (1)
a elk vaartuig met inbegrip van een vaartuig zonder waterverplaatsing en een watervliegtuig, gebruikt 11111of geschikt om te worden gebruikt als een middel van vervoer te water
b een vaartuig dat langer is dan 20 meter
c een vaartuig dat korter is dan 20 meter
d een vaartuig dat is bestemd om de zee te bevaren
 

4. U ziet de hiernaast afgebeelde lichten.
Twee witte lichten, de ene hoger dan de andere. Wat ziet u? (2)

a een duwstel, 2 bakken breed (vooraanzicht)
b een sleepboot met sleep
c een groot schip dat ten anker ligt (stuurboordzijde)
d een groot schip dat ten anker ligt (bakboordzijde)
 

5. U ziet een schip dat een zwarte bol, een zwarte ruit en weer een zwarte bol loodrecht onder elkaar voert (zie schema).
Wat ziet u? (2)

a een beperkt manoeuvreerbaar schip
b een onmanoeuvreerbaar schip
c een vissersschip
d een groot schip met een sleep van 110 meter of korter
 

6. Met welk geluidssignaal kan worden aangegeven dat men bakboord uitgaat? (1)

a één korte stoot
b twee korte stoten
c drie korte stoten
d vier korte stoten
 


7. Welke schepen moeten volgens het BPR zijn uitgerust met een marifoon? (2)

a uitsluitend grote schepen met een goedgekeurde radarinstallatie als deze varende zijn of liggen
111 aangemeerd
b alle schepen langer dan 15 meter
c alle grote schepen, alsmede kleine schepen met een goedgekeurde radarinstallatie
d alle grote schepen, alsmede kleine schepen
 

8. Een snel schip en een klein motorschip naderen elkaar met kruisende koersen en er dreigt gevaar voor aanvaring.
Wat is juist? (3)

a het kleine motorschip wijkt voor het snelle schip
b er is geen voorschrift gegeven; oplossen volgens goede zeemanschap
c het snelle schip moet wijken voor het kleine motorschip
d het kleine schip moet medewerking verlenen aan het snelle schip
 


9. De doorvaart door de engte is niet geregeld door lichten.
Gelijktijdige doorvaart is niet mogelijk.
Wie moet de weg vrijlaten?

a schip X, omdat motorschepen beter manoeuvreerbaar zijn
b schip Y, omdat de doorgang voor schip Y niet bezeild is
c schip Y, omdat schip X met de wind achter zich moeilijk bestuurbaar is
d schip X, omdat zeilboten altijd voorrang hebben
 

10. Een klein motorschip X vaart in het hoofdvaarwater.
Een groot schip Y wil het nevenvaarwater uitvaren (zie schema).
Welke regel is hierbij van toepassing? (3)

a Y moet zich vergewissen dat het zonder gevaar het hoofdwater kan opvaren maar heeft voorrang op 11111X
b Y moet zich vergewissen dat het zonder gevaar het hoofdwater kan opvaren en mag medewerking 11111verwachten van X
c Y kan zondermeer doorvaren, want het heeft voorrang op X
d Y moet voorrang geven aan X, want deze vaart stuurboordwal in het hoofdvaarwater

 

11. Twee kleine zeilschepen bevinden zich in de hiernaast getekende situatie.
Er bestaat gevaar voor aanvaring. Wie moet voorrang verlenen? (3)

a schip X omdat het over stuurboord ligt terwijl schip Y over bakboord ligt
b schip Y omdat schip X stuurboordwal houdt
c schip Y omdat het loefwaartse schip voorrang moet verlenen
d schip X omdat schip Y zijn hoofdzeil over bakboord heeft
 

12. Bij het invaren van een sluis moet schade aan schip en sluis worden voorkomen.
Wat voor eisen worden gesteld aan het wrijfhout? (2)

a het wrijfhout moet minimaal 30 cm lang zijn
b het wrijfhout moet minimaal 30 cm dik zijn
c mag een schip slechts voorwerpen die niet kunnen zinken als wrijfhout gebruiken
d mag een schip uitsluitend gebruik maken van stootwillen die niet lek zijn
 
 

13. Hierna volgen twee beweringen over het varen bij slecht zicht.
U moet die los van elkaar lezen.
Let op: elke bewering kan juist zijn of onjuist zijn.

Bewering I: elk schip is verplicht om in het vaarwater stuurboordwal te varen
Bewering II: een varend klein schip dat niet op radar vaart is verplicht om elke minuut een mistsein te geven

a beweringen I en II zijn beide juist.
b beweringen I en II zijn beide onjuist.
c bewering I is juist en II is onjuist.
d bewering I is onjuist en II is juist.
 

14. Waar mag een schip niet ankeren? (2)

a op 50 meter afstand van een schip dat een blauwe kegel voert
b in de buurt waar een zeilwedstrijd gaande is
c op een plaats waar het bord E.8 (blauw bord met witte pijlen) staat
d op een plaats waar bord A.7 (wit bord met rode rand en rode streep van linksboven naar rechts
111 beneden en zwarte afbeelding) staat
 

15. U bestuurt een snelle motorboot zonder kajuit.
Hoe moet u niet handelen? (2)

a u stuurt vanaf uw zitplaats en gebruikt de dodemansknop
b u stuurt staande en gebruikt de dodemansknop en heeft uw reddingsvest aan
c u stuurt vanaf uw zitplaats en houdt een biertje in uw hand
d u stuurt staande en gebruikt de dodemansknop zonder gebruik te maken van een reddingsvest
 

HET RIJNVAARTPOLITIEREGLEMENT (RPR) 

 

16. Welke van de onderstaande schepen is een klein schip? (1)

a een veerpont korter dan 20 meter
b een visserschip korter dan 20 meter
c een duwbak korter dan 20 meter
d een schip dat een groot schip mag slepen, maar korter is dan 20 meter
  17. Wat is van toepassing als een klein schip, zonder radar tijdens slecht zicht, een geschikte aanlegplaats zoekt? (2)
a mag mistsein geven
b mag geen mistsein geven
c moet elke minuut een mistsein geven
d dit had niet mogen gebeuren, want men had al een ligplaats moeten hebben gevonden
 

18. U vaart op de Bovenrijn.
De doorvaart door de engte (zie schema) is niet geregeld door lichten.
Het grote schip X en het kleine schip Y naderen de engte en gelijktijdige doorvaart is niet mogelijk.
Wie moet de weg vrijlaten? (2)

a schip X, omdat het tegen de stroom invaart
b schip Y, omdat hier altijd grote schepen voor kleine schepen gaan
c schip X, omdat schip Y met de stroom meevaart
d schip Y, omdat het schip X het eerste bij de engte is
 


B. DE BEHANDELING VAN DE VOORSTUWINGSWERKTUIGEN; DE VEILIGHEIDSMAATREGELEN

 

19. U sluit twee accu’s van elk 12 Volt in serie op elkaar aan (zie schema).
Welke spanning meet u tussen de + van de linker accu en de – van de rechter accu? (1)

 

a geen spanning
b 6 volt
c 12 Volt
d 24 Volt
 

20. Hierna volgen twee beweringen over dieselmotoren.
U moet die los van elkaar lezen.
Let op: elke bewering kan juist zijn of onjuist zijn. (1)

Bewering I: een dieselmotor heeft geen bougies
Bewering II: een dieselmotor heeft, als deze eenmaal loopt, geen accu’s nodig
Welke bewering is juist of onjuist?

a beweringen I en II zijn beide juist.
b beweringen I en II zijn beide onjuist.
c bewering I is juist en II is onjuist.
d bewering I is onjuist en II is juist.
 

21. Hierna volgen twee beweringen over blusmateriaal.
U moet die los van elkaar lezen.
Let op: elke bewering kan juist zijn of onjuist zijn. (3)

U heeft in uw schip een brandblusser van 1 kilogram.

Bewering I: Poederblussers zijn voor de watersport zeer geschikt, want het poeder is niet schadelijk voor elektronische apparatuur.
Bewering II: De hoeveelheid bluspoeder dat u aan boord hebt is voldoende.
Welke bewering is juist of onjuist?

a beweringen I en II zijn beide juist.
b beweringen I en II zijn beide onjuist.
c bewering I is juist en II is onjuist. )
d bewering I is onjuist en II is juist.
 

22. Hierna volgen twee beweringen over veiligheid.
U moet die los van elkaar lezen.
Let op: elke bewering kan juist zijn of onjuist zijn. (2)

U heeft in uw kajuitboot 2 zwemvesten en bent met 2 personen aan boord.

Bewering I: met de 2 zwemvesten heeft u voldaan aan de eisen
Bewering II: u bent verplicht om een reddingsvest aan te doen als u staande in uw kajuit stuurt
Welke bewering is juist of onjuist?

a beweringen I en II zijn beide juist.
b beweringen I en II zijn beide onjuist.
c bewering I is juist en II is onjuist.
d bewering I is onjuist en II is juist.
 

23. Hierna volgen twee beweringen over gas.
U moet die los van elkaar lezen.
Let op: elke bewering kan juist zijn of onjuist zijn. (3)

U hebt een gasinstallatie aan boord. De gasflessen zijn in een bun geplaatst.

Bewering I: de bun moet aan de bovenzijde een afvoer hebben, welke ontsnapt gas naar buiten wegleidt. Bewering II: flexibele slangen moeten om de drie jaar worden vernieuwd.
Welke bewering is juist of onjuist?

a Beweringen I en II zijn beide juist.
b Beweringen I en II zijn beide onjuist.
c Bewering I is juist en II is onjuist.
d Bewering I is onjuist en II is juist.
  24. Wat zijn A-branden? (2)
a oliebranden
b houtbranden
c metaalbranden
d gasbranden
  C. DE WATERWEGEN, DE OMSTANDIGHEDEN VAN HET VAARWATER; ELEMENTAIRE METEOROLOGIE
 

25. Een schip volgt de richting van de peil.
De ronde ton is aan de onderkant rood en de bovenkant groen.
Wat is juist ten aanzien van het hoofdvaarwater – nevenwater? (2)

a het schip blijft het hoofdvaarwater volgen
b het schip komt van uit een nevenwater en vaart naar het hoofdvaarwater
c het schip komt van hoofdvaarwater en gaat naar nevenvaarwater
d het schip blijft het nevenvaarwater volgen
  26. Hoe ziet het ISO (8) lichtkarakter er uit? (2)
a gaat elke 8 seconden gedurende 1 seconden aan
b gaat elke 8 seconden gedurende 2 seconden aan
c gaat elke 8 seconden gedurende 3 seconden aan
d gaat elke 8 seconden gedurende 4 seconden aan
 

27. U nadert een brug en ziet op de waterkaart staan H=22. Wat betekent dit? (1)

a de brug heeft een kruipruimte van 22 dm t.o.v. NAP
b de brug heeft een kruipruimte van 22 dm t.o.v. het kanaalpeil
c de brug heeft een kruipruimte van 22 dm t.o.v. het ware peil
d de brug heeft een kruipruimte van 22 dm t.o.v. het golf peil
 

28. In waterkaart staat bij een kanaal D 18. Ook leest u uit de kaart dat de diepten gegeven zijn ten opzichte van kanaalpeil KP = NAP + 2 dm. In het kanaal is een peilschaal aangebracht waarop u afleest dat de waterstand gelijk is aan NAP. Diepgang van het schip is 70 cm. Hoeveel ruimte heeft u nog onder de kiel? (3)

a 90 cm
b 80 cm
c 70 cm
d 60 cm
 

29. U meet volgens de schaal van Beaufort een windkracht 8. Wat voor wind is dit? (2)

a krachtige wind
b stormachtige wind
c storm
d fris windje
  30. Hoe waait op het noordelijk halfrond in een lagedrukgebied (LD) de wind langs het aardoppervlak? (2)
a aan de voorkant van LD waait deze naar het centrum toe en aan de achterkant van het centrum af
b de wind draait van het centrum af
c de wind draait linksom naar het centrum toe
d de wind waait rechtsom naar het midden van het lagedrukgebied toe
 

31. U komt een blauw bord met een witte pijl tegen. Wat is de betekenis hiervan? (2)

a aanbeveling om te varen in de richting van de pijl
b verplichting om te varen in de richting van de pijl
c verboden om te varen in de richting van de pijl
d éénrichtingsverkeer (zie peilrichting)
 

32. Hierna volgen twee beweringen.
U moet die los van elkaar lezen.
Let op: elke bewering kan juist zijn of onjuist zijn.(2)

U nadert een brug en ziet de lichten, zoals deze in bijgaande figuur staan weergegeven (weerszijden een dubbel rood licht en in het midden een geel licht).

Bewering I: U mag deze brug vanaf uw zijde niet onderdoor varen.
Bewering II: U mag deze brug vanaf de andere kant onderdoor varen.
Welke bewering is juist of onjuist?

a Beweringen I en II zijn beide juist.
b Beweringen I en II zijn beide onjuist.
c Bewering I is juist en II is onjuist.
d Bewering I is onjuist en II is juist
  D. HET VAREN EN MANOEUVREREN, DE ONDER BIJZONDERE OMSTANDIGHEDEN TE NEMEN MAATREGELEN
  33. Uw schip is voorzien van een rechtse schroef. U wilt keren in een smal vaarwater waar het niet mogelijk is om in één keer rond te draaien.
Waar kunt u bij het inzetten van de keermanoeuvre zich het best bevinden? (2)
a aan stuurboordzijde van het vaarwater
b in het midden van het vaarwater
c aan bakboordzijde van het vaarwater
d het maakt niet uit
 

34. U wilt gaan ankeren in de buurt van een eiland.
Er staat een matige oosten wind.
Waar kunt u dit in Nederland het beste doen (zie schema)? (2)

a plek A
b plek B
c plek C
d plek D
  35. Wat gebeurt er als in een ondiep water twee diepgeladen schepen elkaar met tegengestelde koersen naderen en passeren? (2)
a de schepen hebben geen invloed op elkaar
b de schepen zullen naar elkaar toe worden gezogen
c de schepen zullen van elkaar af worden geduwd
d de schepen zullen automatisch in snelheid toenemen
  36. Mag u in een sluis, tijdens het schutten, uw motor aan laten staan? (2)
a nee, dat mag niet, tenzij u toestemming hebt van de sluismeester
b dat mag wel, maar u mag de schroef niet laten draaien (het is wel slecht voor het milieu en de
1111 gezondheid van anderen)
c het mag wel indien u anders de boot met uw schroefwerking niet in bedwang kunt houden
d het mag uitsluitend indien uw startaccu leeg is en u anders niet meer weg kunt varen
  37. Wat is de beste manoeuvre voor een motorjacht om een drenkeling op te pikken, bijzondere omstandigheden en toestanden buiten beschouwing gelaten? (2)
a zo snel mogelijk de drenkeling dwars bovenwinds te naderen, schip naast hem/haar stilleggen,
1111 schroef stoppen, zonodig de motor afzetten en drenkeling aan boord nemen
b zo snel mogelijk recht tegen de wind in naast de drenkeling het schip stoppen en de drenkeling
1111 oppikken
c zo snel mogelijk achteruit terugvaren naar de drenkeling, aan de benedenwindse kan gaan liggen en
1111 hem/haar oppikken
d rustig naar de drenkeling manoeuvreren en deze bovenstrooms benaderen
  38. Uw schip heeft een rechtsdraaiende schroef en geen boeg- of hekschroef. Er staat geen wind en/of stroom. Met welke kant van uw schip komt u bij voorkeur bij de kade aan? (2)
a stuurboordzijde
b geen voorkeur
c bakboordzijde
d de zijde waar de minste stootwillen hangen
  39. U ligt afgemeerd met de trossen: achterspring, voortros, achtertros en voorspring.
De wind komt vanaf de voorkant van uw schip.
Welke drie trossen maakt u als eerste los? (2)
a voorspring, achtertros en achterspring
b voorspring, achtertros en voortros
c achterspring, voorspring en achtertros
d voortros, achterspring en voorspring
  40. Een motorboot ligt afgemeerd aan stuurboordzijde van het vaarwater en wil wegvaren.
De stroom komt van voren.
De boegschroef wordt gebruikt om de boot vrij te manoeuvreren.
Hoe worden achterschroef en roer gebruikt? (3)
a achterschroef in de vooruit en roer aan stuurboord
b achterschroef in de achteruit en roer aan stuurboord
c achterschroef in de vooruit en roer aan bakboord
d achterschroef in de achteruit en roer aan stuurboord
 
 
 
  Hou mij op de hoogte
 
 
 
  Veel succes.